Een initiatief van :




Wageningen Universiteit





Sitekeuring.NET Award

Food-Info.net> Producten > Olijfolie

Gezondheidseffecten van kleine bestanddelen van olijfolie Deel II

Auteurs:
Prof.dr. Gerd Assmann
Prof.dr. Ursel Wahrburg
Institute for Arteriosclerosis Research, Universiteit van Münster, Duitsland

1 Inleiding

In deze tweede Fact Sheet over de kleine bestanddelen van olijfolie, zullen de gezondheidsvoordelen van de in olijfolie aanwezige koolwaterstoffen en in het bijzonder squaleen en sterolen worden besproken.

2 Kleine bestanddelen van olijfolie

2.1 Koolwaterstoffen


De belangrijkste koolwaterstof in olijfolie is squaleen, een triterpeen en tussenproduct van het cholesterolbiosyntheseproces. Olijfolie verkregen bij de eerste persing (extra vierge) bevat squaleen in een hoeveelheid van circa 400-450 mg/100 g, terwijl geraffineerde olijfolie ongeveer 25% minder bevat (1). In een aantal studies is een squaleen gehalte van ca. 200-700 mg/100 g aangetroffen in extra vierge olijfolie (besproken in (2)). Volgens dit onderzoek bedraagt de gemiddelde consumptie van squaleen in de VS 30 mg per dag, terwijl bij een hogere consumptie van extra vierge olijfolie de opgenomen hoeveelheid squaleen een niveau van 200-400 mg per dag kan bereiken, zoals het geval is in de Mediterrane landen (2). Volgens Gylling en Miettinen zou men zelfs tot 1 gram squaleen per dag kunnen consumeren via de voeding (3).

Behalve squaleen zijn nog andere koolwaterstoffen aanwezig, zoals bijvoorbeeld de pro-vitamine A ß-caroteen, hoewel in zeer kleine hoeveelheden (ß-caroteen: 0,03 - 0,36 mg/100 g) (Kiritsakis en Markakis 1987).

2.2 Sterolen

Sterolen vormen een essentieel onderdeel van celmembranen en worden door zowel dieren als planten geproduceerd. De sterolring is gelijk bij alle sterolen; het verschil zit in de zijketen. Cholesterol is uitsluitend een dierlijke sterol. Tot nu toe zijn meer dan 40 fytosterolen geïdentificeerd. De totale hoeveelheid sterolen die in extra vierge olijfolie zijn aangetroffen binnen de diverse groepen, varieert tussen 113-265 mg/100 g olie (5;6). Twee factoren die van invloed zijn op de hoeveelheid, zijn de cultivar en de rijpheid van de olijven (5). De sterol die verreweg het meest voorkomt in olijfolie is ß-sitosterol, dat zo'n 90-95% van de totale hoeveelheid sterolen uitmaakt (5;6). De hoeveelheden campesterol en stigmasterol zijn respectievelijk ongeveer 3% en 1% (5;6). Stanolen zijn verzadigde sterolen, die vrijwel niet voorkomen in een mediteraan voedingspatroon (voor een overzicht zie (4)).

3 De invloed van de kleine bestanddelen op de gezondheid van de mens

3.1 Koolwaterstoffen (squaleen)

3.1.1 Squaleen en serumcholesterolconcentraties


Zoals reeds genoemd is squaleen een metaboliet van de cholesterolsynthese. Theoretisch gezien kan squaleen in voeding dus in het lichaam in cholesterol worden omgezet, waardoor de serumcholesterolniveaus mogelijk verhoogd zouden kunnen worden. Een noodzakelijke voorwaarde hierbij is dat er aanzienlijke hoeveelheden worden geabsorbeerd. De gegevens duiden erop dat van de squaleen die via het voedsel wordt opgenomen, 60 tot 80 procent wordt geabsorbeerd (2;7). Bovendien lijkt het erop dat een aanzienlijke hoeveelheid van de squaleen in voeding inderdaad in het menselijk lichaam kan worden omgezet in cholesterol. Deze toename van de cholesterolsynthese gaat echter niet vergezeld van een consequente toename van de serumcholesterolniveaus, waarschijnlijk vanwege een bijkomende toename van de fecale uitscheiding (8). Hoewel Miettinen en Vanhanen na toevoeging van een zeer hoge dagelijkse dosis squaleen aan het dieet (1 g) een toename van het serumniveau en de LDL-cholesterolconcentraties hebben waargenomen, zijn die waarden vervolgens genormaliseerd nadat de dosis squaleen tot een lager niveau (0,5 g per dag) was teruggebracht (9). In dit opzicht is de studie, waarbij squaleen werd toegevoegd aan een protocol met een lage dosering pravastatine, extra interessant. De uitkomst van deze studie was dat de werkzaamheid van pravastatine als cholesterolverlagend geneesmiddel bevordert werd door toevoeging van de squaleen (10). Al met al blijkt de bezorgdheid dat lage doses squaleen bijdragen aan een hoog cholesterolniveau van het serum misplaatst te zijn. Bij een redelijk voedingniveau van 0,5 gram of minder per dag lijkt squaleen geen negatief effect te hebben op de serumcholesterolconcentraties.

3.1.2 Squaleen en kanker

Epidemiologische studies duiden op een beschermend effect van olijfolie in de dagelijkse voeding tegen kanker. In Griekenland, waar de totale vetconsumptie - voornamelijk olijfolie - hoog is, is het aantal vrouwen met borstkanker slechts eenderde van het aantal vrouwen met borstkanker in de Verenigde Staten (11). Een patiëntcontrole-onderzoek in Spanje toonde een verminderd risico van borstkanker aan bij vrouwen met de hoogste olijfolieconsumptie (12). Uit een groot patiëntcontrole-onderzoek in Griekenland is naar voren gekomen dat de kans op borstkanker 25% lager ligt bij vrouwen die meer dan eenmaal per dag olijfolie gebruikten (13). Uit een ander patiëntcontrole-onderzoek in Spanje is gebleken dat vrouwen die tot de groep (top 33%) met de hoogste consumptie van (voornamelijk uit olijfolie afkomstige) enkelvoudig onverzadigde vetzuren (MUFA) behoren, een sterk verminderde kans op borstkanker hebben (14). Daar bij aansluitend heeft een recent patiëntcontrole-onderzoek in Italië uitgewezen dat een verminderde kans op borstkanker bij een verhoogde consumptie van onverzadigde vetzuren uit spijsoliën bestaat. In Italië vormt olijfolie ongeveer 80% van de spijsoliën, hetgeen duidt op een beschermend effect als gevolg van olijfolieconsumptie (15). Een ander recent patiëntcontrole-onderzoek in Italië maakt melding van een significante negatieve relatie tussen spijsoliegebruik (voornamelijk olijfolie) en het risico van alvleesklierkanker (16). Twee vooraanstaande wetenschappers op dit gebied, Theresa J. Smith en Harold L. Newmark, suggereren dat dit beschermende effect wellicht is te danken aan de grote hoeveelheid squaleen in extra vierge olijfolie (2;11). Deze veronderstelling wordt ondersteund door de uitkomsten van een aanzienlijke aantal experimentele dierproeven. Het merendeel van deze onderzoeken heeft het effect van een plaatselijk of systemisch toegediend squaleen op chemisch geïnduceerde kankers van de huid, colon en longen van muizen onderzocht. Samenvattend tonen deze resultaten duidelijk aan dat squaleen in de voeding een onmiskenbare anticarcinogene werking heeft (17-21).

3.1.3 Andere effecten van squaleen in voeding

De eerste studies (hier is het niet geheel duidelijk om wat voor studies het gaat. Zijn dit de eerste onderzoeken met dit als onderwerp?) duiden erop dat de consumptie van squaleen, naast de kankerwerende eigenschappen, ook andere gunstige effecten zou kunnen bewerkstelligen. Kohno et al. hebben ontdekt dat squaleen een zeer krachtige ‘wegvanger' is van zuurstof radicalen op het menselijk huidoppervlak (22). Bij diermodellen blijkt squaleen verder een belangrijke rol te spelen bij de gezondheid van het oog, vooral voor de staafjes; de lichtgevoelige cellen van het netvlies (23). Verder hebben diverse groepen gemeld dat bij dieren die squaleen hebben ingenomen, het vermogen om toxinen, zoals hexachloorbenzeen of strychnine (24-26) uit te scheiden, is verhoogt. Echter, er moet worden opgemerkt dat voor een aantal van deze effecten een zeer hoge dosis squaleen is vereist.

3.2 Sterolen (ß-sitosterol)

3.2.1 Effect op serumcholesterolconcentraties


Zowel orale als parenterale toediening van plantaardige sterolen en stanolen resulteert in lagere concentraties van het plasma totaal en LDL cholesterolniveau (besproken in (4;27)). Het is aannemelijk dat deze afname voornamelijk valt toe te wijzen aan de remming van de intestinale cholesterolabsorptie. Ook is het mogelijk dat het cholesterolmetabolisme van lever en darmen wordt beïnvloed. Daarbij dient echter te worden aangetekend, dat significante verminderingen van de serumcholesterol waarden alleen zijn gerealiseerd in studies waarbij fytosterolsupplementen zijn gebruikt. Er zijn doses verstrekt van 1-3 g per dag, een hoeveelheid die niet via een normaal voedingspatroon kan worden bereikt. De meeste studies maken gebruik van margarines, verrijkt met sterolen of stanolen. In het algemeen is het totale en LDL cholesterolgehalte sterker gedaald naarmate de dagelijkse dosis sterolen werd verhoogd. Dit tot een dosis van maximaal 2 g per dag, waarna geen verder cholesterolverlagend effect kon worden waargenomen (28). Uit een recente meta-analyse van alle gerandomiseerde dubbel geblindeerde proeven is geconcludeerd dat bij een dagelijkse consumptie van 2 g plantaardige sterolen of stanolen de LDL-cholesterolconcentraties in het serum met 9-14% zijn afgenomen, zonder dat dit invloed had op de HDL-cholesterol of de hoeveelheid triglyceriden (27). Bovendien is de afname van de cholesterolconcentraties met name onmiskenbaar bij proefpersonen met hypercholesterolemie en proefpersonen met een cholesterolrijk dieet (besproken in (4;27)). Bij een bepaald onderzoek zijn aanzienlijke lipide verlagende effecten waargenomen bij een relatief lage dosis van 740 mg fytosterolen per dag bij proefpersonen met een cholesterolrijk dieet (29). Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat de hoeveelheid fytosterolen die worden opgenomen bij een dieet rijk aan extra vierge olijfolie, een enigszins gunstig effect heeft op de serumcholesterolconcentraties, met name geldt dit voor patiënten met hyperlipidemie die een cholesterolrijk dieet volgen.

3.2.2 Fytosterolen en kanker

Er zijn diverse rapporten over de anti-tumoreffecten van fytosterolen, met name van ß-sitosterol. Von Holtz et al . hebben waargenomen dat ten opzichte van de controlegroep, de groei van menselijke prostaatkankercellen bij de groep die met ß-sitosterol is behandeld, met 24% is afgenomen en de geïnduceerde apoptose met een factor vier is gestegen (30). Apoptose is geprogrammeerde celdood, een profylactisch mechanisme waarbij cellen zogenaamde zelfmoord begaan, zodat schade aan het lichaam wordt voorkomen wanneer zij bijvoorbeeld kankercellen zijn geworden. Verder lijkt ß-sitosterol effectief te zijn bij de behandeling van goedaardige prostaathyperplasie (31-33). Naast deze bevindingen inzake prostaatkanker of prostaathyperplasie zijn er rapporten over de gunstige werking van ß-sitosterol bij colonkanker- en borstkankercellen in vitro (34-36). Bovendien is gebleken dat ß-sitosterol bij ratten het effect van een carcinogeen op het colon neutraliseert (37). Er zijn weinig studies die de relatie tussen fytosterolen en kanker bij mensen hebben onderzocht. Bij een onderzoek in Uruguay hebben De Stefani et al. een sterke negatieve relatie gevonden tussen de totale consumptie van fytosterolen en maagkanker (38). In een observatiestudie van een onderzoeksgroep uit Californië is de sterolconsumptie van de zevendedagsadventisten, een groep die bekend staat om zijn zeer lage totale kankersterfte en morbiditeit, vergeleken met die van de bevolking in het algemeen. Daaruit is gebleken dat de zevendedagsadventisten niet alleen minder cholesterol gebruikten, maar ook veel meer fytosterolen. De onderzoekers suggereren dat hetzij de hoge totale fytosterolconsumptie van hun dieet, hetzij het hoge percentage fytosterol ten opzichte van cholesterol, heeft bijgedragen aan het verminderde optreden van kanker (39).

Het merendeel van de hierboven genoemde onderzoeken betreffen in vitro studies, waarbij gebruik wordt gemaakt van celcultuurmodellen van specifieke kankersoorten, of dier onderzoek. De resultaten over dit onderwerp moeten dan ook vanuit deze situatie worden bekeken, totdat er meer gegevens beschikbaar zijn van onderzoeken bij mensen. Desondanks zijn de bevindingen veelbelovend in die zin dat fytosterolen, en met name ß-sitosterol, een duidelijk anticarcinogeen effect zouden kunnen hebben met betrekking tot prostaat-, colon-, borst- en maagkanker.

4 Samenvatting en conclusies

Tot de kleine bestanddelen van olijfolie behoren koolwaterstoffen, in het bijzonder squaleen en fytosterolen. Uit de grote hoeveelheid van onderzoeken blijkt dat deze stoffen gunstige effecten hebben. Vooral bij squaleen en ß-sitosterol zijn anti-carcinogene effecten aangetoond. De relatief hoge gehalte van squaleen en fytosterolen in olijolie, dragen bij aan de gunstige effecten van deze olie op de gezondheid. Wanneer rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van aanvullende synergie-effecten tussen koolwaterstoffen, fytosterolen, fenolen, tocoferolen, aromastoffen en de gunstige vetzuursamenstelling zou het gunstige effect van deze olie op de gezondheid mogelijk nog groter kunnen zijn dan de som van alle afzonderlijke voordelen.


Referentielijst

  1. Owen RW, Mier W, Giacosa A, Hull WE, Spiegelhalder B, Bartsch H. Phenolic compounds and squaleen in olive oils: the concentration and antioxidant potential of total phenols, simple phenols, secoiridoids, lignans and squaleen. Food Chem.Toxicol. 2000;38:647-59.
  2. Smith TJ. Squaleen: potential chemopreventive agent. Expert.Opin.Investig.Drugs 2000;9:1841-8.
  3. Gylling H, Miettinen TA. Postabsorptive metabolism of dietary squaleen. Atheroscler. 1994;106:169-78.
  4. Jones PJ, MacDougall DE, Ntanios F, Vanstone CA. Dietary phytosterols as cholesterol-lowering agents in humans. Can.J Physiol Pharmacol. 1997;75:217-27.
  5. Gutierrez F, Jimenez B, Ruiz A, Albi MA. Effect of olive ripeness on the oxidative stability of virgin olive oil extracted from the varieties picual and hojiblanca and on the different components involved. J Agric.Food Chem 1999;47:121-7.
  6. Kiritsakis A, Markakis P. Olive oil: a review. Adv. Food Res. 1987;31:453-82.:453-82.
  7. Kelly GS. Squaleen and its potential clinical uses. Altern.Med Rev. 1999; 4:29 -36.
  8. Strandberg TE, Tilvis RS, Miettinen TA. Metabolic variables of cholesterol during squaleen feeding in humans: comparison with cholestyramine treatment. J Lipid Res. 1990;31:1637-43.
  9. Miettinen TA, Vanhanen H. Serum concentration and metabolism of cholesterol during rapeseed oil and squaleen feeding. Am J Clin.Nutr. 1994;59:356-63.
  10. Chan P, Tomlinson B, Lee CB, Lee YS. Effectiveness and safety of low-dose pravastatin and squaleen, alone and in combination, in elderly patients with hypercholesterolemia. J Clin.Pharmacol. 1996;36:422-7.
  11. Newmark HL. Squaleen, olive oil, and cancer risk. Review and hypothesis. Ann.N Y.Acad.Sci. 1999;889:193-203.:193-203.
  12. Martin-Moreno JM, Willett WC, Gorgojo L et al. Dietary fat, olive oil intake and breast cancer risk. Int.J Cancer 1994;58:774-80.
  13. Trichopoulou A, Katsouyanni K, Stuver S et al. Consumption of olive oil and specific food groups in relation to breast cancer risk in Greece . J Natl.Cancer Inst. 1995;87:110-6.
  14. Landa MC, Frago N, Tres A. Diet and the risk of breast cancer in Spain . Eur.J Cancer Prev. 1994;3:313-20.
  15. Franceschi S, Favero A, Decarli A et al. Intake of macronutrients and risk of breast cancer. Lancet 1996;347:1351-6.
  16. La Vecchia C, Negri E. Fats in seasoning and the relationship to pancreatic cancer. Eur.J Cancer Prev. 1997;6:370-3.
  17. Van Duuren BL, Goldschmidt BM. Cocarcinogenic and tumor-promoting agents in tobacco carcinogenesis. J Natl.Cancer Inst. 1976;56:1237-42.
  18. Yamaguchi T, Nakagawa M, Hidaka K et al. Potentiation by squaleen of antitumor effect of 3-[(4-amino-2-methyl-5-pyrimidinyl)methyl]-1-(2-chloroethyl)-nitros ourea in a murine tumor system. Jpn.J Cancer Res. 1985;76:1021-6.
  19. Rao CV, Newmark HL, Reddy BS. Chemopreventive effect of squaleen on colon cancer. Carcinogenesis 1998;19:287-90.
  20. Smith TJ, Yang GY, Seril DN, Liao J, Kim S. Inhibition of 4-(methylnitrosamino)-1-(3-pyridyl)-1-butanone-induced lung tumorigenesis by dietary olive oil and squaleen. Carcinogenesis 1998;19:703-6.
  21. Smith, T. J., Kim, S., Lee, M. J., Yang, G. Y., Newmark, H. L., and Yang, C. S. Inhibition of 4-(methylnitrosamino)-1-(3-pyridyl)-1-butanone (NKK)-induced lung tumorigenesis and DNA oxidation by dietary squaleen. Proceedings of the American Association for Cancer Research 40, 262. 1999.
    Ref Type: Journal (Full)
  22. Kohno Y, Egawa Y, Itoh S, Nagaoka S, Takahashi M, Mukai K. Kinetic study of quenching reaction of singlet oxygen and scavenging reaction of free radical by squaleen in n-butanol. Biochim.Biophys.Acta 1995;1256:52-6.
  23. Fliesler SJ, Keller RK. Isoprenoid metabolism in the vertebrate retina. Int.J Biochem.Cell Biol. 1997;29:877-94.
  24. Kamimura H, Koga N, Oguri K, Yoshimura H. Enhanced elimination of theophylline, phenobarbital and strychnine from the bodies of rats and mice by squalane treatment. J Pharmacobiodyn. 1992;15:215-21.
  25. Richter E, Fichtl B, Schafer SG. Effects of dietary paraffin, squalane and sucrose polyester on residue disposition and elimination of hexachlorobenzene in rats. Chem Biol.Interact. 1982;40:335-44.
  26. Richter E, Schafer SG. Effect of squalane on hexachlorobenzene (HCB) concentrations in tissues of mice. J Environ.Sci.Health B 1982;17:195-203.
  27. Law MR. Plant sterol and stanol margarines and health. West J Med 2000;173:43-7.
  28. Plat J, Kerckhoffs DA, Mensink RP. Therapeutic potential of plant sterols and stanols. Curr.Opin.Lipidol. 2000;11:571-6.
  29. Pelletier X, Belbraouet S, Mirabel D et al. A diet moderately enriched in phytosterols lowers plasma cholesterol concentrations in normocholesterolemic humans. Ann.Nutr.Metab 1995;39:291-5.
  30. Von Holtz RL, Fink CS, Awad AB. beta-Sitosterol activates the sphingomyelin cycle and induces apoptosis in LNCaP human prostate cancer cells. Nutr.Cancer 1998;32:8-12.
  31. Klippel KF, Hiltl DM, Schipp B. A multicentric, placebo-controlled, double-blind clinical trial of beta-sitosterol (phytosterol) for the treatment of benign prostatic hyperplasia. German BPH-Phyto Study group. Br.J Urol. 1997;80:427-32.
  32. Carbin BE, Larsson B, Lindahl O. Treatment of benign prostatic hyperplasia with phytosterols. Br.J Urol. 1990;66:639-41.
  33. Wilt TJ, MacDonald R, Ishani A. beta-sitosterol for the treatment of benign prostatic hyperplasia: a systematic review. BJU.Int. 1999;83:976-83.
  34. Awad AB, Downie AC, Fink CS. Inhibition of growth and stimulation of apoptosis by beta-sitosterol treatment of MDA-MB-231 human breast cancer cells in culture. Int.J Mol.Med 2000;5:541-5.
  35. Awad AB, Chen YC, Fink CS, Hennessey T. beta-Sitosterol inhibits HT-29 human colon cancer cell growth and alters membrane lipids. Anticancer Res. 1996;16:2797-804.
  36. Awad AB, von Holtz RL, Cone JP, Fink CS, Chen YC. beta-Sitosterol inhibits growth of HT-29 human colon cancer cells by activating the sphingomyelin cycle. Anticancer Res. 1998;18:471-3.
  37. Raicht RF, Cohen BI, Fazzini EP, Sarwal AN, Takahashi M. Protective effect of plant sterols against chemically induced colon tumors in rats. Cancer Res. 1980;40:403-5.
  38. De Stefani E, Boffetta P, Ronco AL et al. Plant sterols and risk of stomach cancer: a case-control study in Uruguay . Nutr.Cancer 2000;37:140-4.
  39. Nair PP, Turjman N, Kessie G et al. Diet, nutrition intake, and metabolism in populations at high and low risk for colon cancer. Dietary cholesterol, beta-sitosterol, and stigmasterol. Am J Clin.Nutr. 1984;40:927-30.

Bron: http://europa.eu.int/comm/agriculture/prom/olive/medinfo/index.htm

 

 



European Masters Degree in Food Studies - an Educational Journey


Master in Food Safety Law



Food-Info.net is an initiative of Wageningen University, The Netherlands